Als je aan een middelbare scholier vraagt of iedereen gelijk is, ongeacht op wie hij of zij verliefd wordt, is het antwoord bijna altijd ja. Maar vraag hetzelfde over een genderneutraal toilet op school, en het beeld verandert. Dat is de belangrijkste uitkomst van een groot onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onder ruim 31.000 leerlingen van 12 tot 18 jaar. Voor ouders en leerkrachten die zich afvragen wat er nu eigenlijk leeft onder jongeren, geeft dit onderzoek voor het eerst een cijfermatig antwoord.
Wat het onderzoek laat zien
Op het niveau van algemene ideeën scoren jongeren duidelijk progressief: 59 procent vindt dat iedereen gelijkwaardig is ongeacht seksuele oriëntatie, en 65 procent vindt dat je zelf mag weten op wie je verliefd wordt. Maar zodra de vraag concreter wordt, kantelt het beeld. 61 procent is tegen genderneutrale toiletten op school. 54 procent is het ermee eens dat je geslacht vaststaat bij je geboorte. En 41 procent is tegen het idee dat elke school verplicht Paarse Vrijdag moet vieren. Kortom: jongeren zijn het voor gelijkheid als idee, maar niet automatisch voor elke concrete maatregel die daaruit zou moeten volgen.
Waarom is dat verschil er?
De onderzoekers zien een aantal patronen. Jongens zijn gemiddeld kritischer dan meisjes, en jongeren met een islamitische achtergrond zijn volgens het onderzoek het meest terughoudend over zichtbare genderuitingen op school. Ook algemeen conservatisme als karaktertrek speelt een rol: wie in het algemeen behoudender in het leven staat, is ook kritischer over schoolbeleid rond gender. Dat betekent niet dat deze jongeren onverdraagzaam zijn — het gaat vaker om twijfel bij de praktische invulling dan om afwijzing van het idee van gelijkwaardigheid zelf. Ter vergelijking: uit ander onderzoek blijkt dat ongeveer 0,7 procent van de scholieren zich anders identificeert dan het geslacht waarmee ze geboren zijn. De discussie op school gaat dus voor het overgrote deel van de leerlingen niet over hun eigen identiteit, maar over de vraag wat wenselijk beleid is voor de hele klas.
Wat betekent dit voor ouders en leerkrachten
Voor wie op school of thuis het gesprek over gender voert, is de les van dit onderzoek dat instemming met gelijkwaardigheid niet automatisch instemming met elke specifieke maatregel betekent. Een leerling die vindt dat iedereen gelijk is, kan tegelijk kritisch zijn over een genderneutraal toilet of een verplichte actiedag — en dat is geen tegenspraak, maar een genuanceerde positie die het onderzoek expliciet blootlegt. Scholen die draagvlak zoeken voor genderbeleid doen er daarom goed aan het gesprek over de onderliggende waarde (gelijkwaardigheid) apart te voeren van het gesprek over de concrete uitvoering (welke maatregel, en is die verplicht). Wie die twee gesprekken door elkaar laat lopen, loopt het risico weerstand op te roepen die er bij de waarde zelf niet is.

Edward Jansen
Redactie
Veelgestelde vragen
Hoeveel scholieren deden mee aan het onderzoek?
De Universiteit van Amsterdam analyseerde twee grote datasets met in totaal ruim 31.000 middelbare scholieren van 12 tot 18 jaar, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Betekent kritiek op genderneutrale toiletten dat een leerling onverdraagzaam is?
Niet per se. Het onderzoek laat zien dat jongeren het algemene idee van gelijkwaardigheid breed steunen, maar twijfelen bij de concrete uitvoering ervan op school. Dat is eerder een genuanceerde positie dan afwijzing van gelijkheid.
Hoeveel leerlingen identificeren zich zelf als trans of non-binair?
Uit ander onderzoek blijkt dat ongeveer 0,7 procent van de middelbare scholieren zich anders identificeert dan het geslacht waarmee ze geboren zijn.
